Je kent dat moment vast. Je vertelt enthousiast over je nieuwe project, geeft advies aan een vriend, of gooit een idee op tafel tijdens een vergadering. De persoon tegenover je knikt instemmend, kijkt je aan alsof ze écht luisteren, en zegt dan: “Ja, maar…”
En daar gaat ie. Wat begon als een hoopvol gesprek, voelt plotseling aan als een deur die voor je neus dichtslaat. Het frustrerende? Dit gebeurt niet één keer. Het gebeurt elke. Verdomde. Keer.
Als je iemand in je leven hebt die chronisch “ja, maar…” zegt, zit er volgens psychologen meer achter dan alleen een vervelende gewoonte. Dit simpele zinnetje onthult namelijk iets fundamenteels over hoe deze persoon denkt, voelt en met de wereld omgaat. En nee, het draait lang niet altijd om jou of je ideeën. Het draait om wat er in hun hoofd afspeelt.
Het “yes, but” spelletje: waarom dit meer is dan gewoon tegenspreken
In de jaren zestig beschreef psychiater Eric Berne in zijn baanbrekende boek over menselijke interactie een fascinerend fenomeen dat hij “spelletjes” noemde. Een van de meest herkenbare daarvan kreeg de naam “Yes, But”. Dit is geen spelletje zoals Monopoly of poker, maar een psychologisch patroon waarbij mensen schijnbaar om advies vragen of een gesprek aangaan, maar vervolgens elke suggestie systematisch afwijzen.
Het gekke is: de persoon die dit doet, heeft vaak geen flauw idee dat ze het doen. Ze denken oprecht dat ze actief deelnemen aan het gesprek. Maar wat ze eigenlijk doen is zichzelf beschermen. En dat brengt ons bij de vraag: waartegen verdedigen ze zich eigenlijk?
De psychologie achter de verdediging: wanneer controle alles is
Psycholoog Jack Gibb onderzocht in 1961 wat hij defensieve communicatie noemde. Hij ontdekte dat bepaalde communicatiestijlen ontstaan vanuit diepe onzekerheid en een verlangen om controle te houden over situaties. En raad eens welk patroon daar perfect in past?
Wanneer jij een suggestie doet, stuur je onbewust een boodschap: “Misschien weet ik iets dat jij niet weet.” Voor mensen met een sterke controlebehoefte voelt dit als een bedreiging. Ze hoeven niet eens na te denken – hun brein registreert het als: “Er komt iemand aan mijn grip op de situatie zitten.”
Door “ja” te zeggen, erkennen ze je input op een sociaal acceptabele manier. Maar de “maar” die erachteraan komt? Dat is hun manier om de touwtjes weer in handen te pakken. Het is alsof ze zeggen: “Ik heb je gehoord, maar ik bepaal nog steeds zelf hoe het zit.”
Dit gedrag ontwikkelt zich vaak vroeg in het leven. Mensen die als kind weinig autonomie ervaarden, of juist veel te veel verantwoordelijkheid moesten dragen, leren dat de wereld onvoorspelbaar is. Hun overlevingsstrategie? Altijd het laatste woord hebben. Altijd de controle behouden.
De angst voor kwetsbaarheid: waarom sommige mensen hun schild nooit laten zakken
Onderzoekster Brené Brown heeft haar hele carrière gewijd aan het bestuderen van kwetsbaarheid en schaamte. Haar bevindingen zijn confronterend: voor veel mensen is écht akkoord gaan met iemand anders – zonder voorbehoud – doodeng.
Waarom? Omdat het een vorm van overgave vereist. Je erkent daarmee dat je eigen perspectief misschien niet compleet is. Je geeft toe dat je niet alles weet. Voor mensen die zijn opgevoed met de boodschap dat fouten maken zwakte betekent, of die in het verleden emotioneel gekwetst werden toen ze zich openstelden, is dat onverteerbaar.
De “ja, maar…”-constructie wordt dan een psychologische buffer. Het creëert de illusie van deelname (de “ja”) zonder de risico’s van echte kwetsbaarheid (de “maar”). Je doet mee aan het gesprek, maar je hart blijft veilig achter de muur.
Dit verklaart ook waarom gesprekken met chronische “ja, maar…”-gebruikers zo uitputtend zijn. Je voelt instinctief dat er geen echte uitwisseling plaatsvindt. En dat klopt: er is een emotionele barrière opgetrokken die authentieke verbinding blokkeert.
Perfectionisten en hun onmogelijke standaarden
Aaron Beck, grondlegger van de cognitieve gedragstherapie, identificeerde in 1976 een specifiek denkpatroon dat hij alles-of-niets-denken noemde. En raad eens bij wie dit vooral voorkomt? Perfectionisten.
Voor deze mensen is een suggestie die niet perfect aansluit bij hun eigen visie automatisch onbruikbaar. Niet omdat het per se een slecht idee is, maar omdat het niet voldoet aan hun (vaak onrealistisch hoge) standaarden. De “ja, maar…” wordt dan een automatische reflex: “Ja, dat zou kunnen werken, maar het is niet perfect genoeg, niet gegarandeerd succesvol, niet exact zoals ik het voor ogen had.”
Geleerd gedrag: wanneer “ja, maar…” gewoon normaal voelt
Hier wordt het interessant: niet iedereen die “ja, maar…” zegt, is zich aan het verdedigen. Sommige mensen hebben dit simpelweg geleerd.
Albert Bandura’s sociale leertheorie uit 1977 benadrukt hoe sterk communicatiepatronen worden overgenomen van onze omgeving. Als je opgroeide in een gezin waar kritisch zijn en tegenspreken de standaard was, heb je mogelijk geleerd dat dit gewoon betekent: “Ik doe mee aan het gesprek.”
Je ouders zeiden “ja, maar…”, je leraren deden het, je collega’s doen het. Voor jou voelt het niet defensief of afwijzend. Het voelt als normale, betrokken communicatie. Je hebt geen idee dat anderen het registreren als: “Deze persoon schiet alles af wat ik zeg.”
Het probleem ontstaat wanneer je dit patroon toepast in contexten waar het wél als afwijzing wordt ervaren. In vriendschappen, romantische relaties of creatieve brainstormsessies kan deze onschuldige gewoonte verwoestend werken.
Wat het doet met je relaties (spoiler: niets goeds)
Hier is de harde waarheid: herhaaldelijke afwijzing – hoe subtiel ook – creëert emotionele afstand. Wanneer iemand consistent “ja, maar…” zegt, registreren gesprekspartners dit (vaak onbewust) als: “Mijn inbreng wordt niet gewaardeerd.”
In romantische relaties is dit bijzonder giftig. Partners voelen zich niet gehoord, beginnen minder te delen en trekken zich emotioneel terug. In professionele settings betekent het dat collega’s stoppen met brainstormen of ideeën aandragen. Waarom zou je ook, als ze toch afgeschoten worden?
Het tragische is dat de chronische “ja, maar…”-gebruiker zich vaak eenzaam voelt, terwijl ze precies het gedrag vertonen dat intimiteit en verbinding blokkeert. Ze bouwen hun eigen isolatiecel, steen voor “ja, maar…”-steen.
Herken je jezelf? Zo doorbreek je het patroon
Het goede nieuws: patronen zijn niet in steen gebeiteld. Cognitieve gedragstherapeuten gebruiken al decennia technieken om mensen bewuster te maken van hun communicatie, en die kun je vandaag nog toepassen.
- Start met observatie zonder oordeel: Let een week lang op hoe vaak je “ja, maar…” zegt. Niet om jezelf af te straffen, gewoon om bewust te worden. Bewustzijn is letterlijk de eerste stap naar verandering.
- Pas de drie-seconden-regel toe: Voel je de neiging opkomen om “maar” te zeggen? Wacht drie seconden. Vraag jezelf af: komt dit vanuit een echte inhoudelijke reden, of vanuit een emotionele reactie?
- Vervang “maar” door “en”: Dit klinkt simpel, maar het werkt verbazingwekkend goed. “Ja, én…” houdt het gesprek open in plaats van het te blokkeren. Probeer het een week en je zult versteld staan.
- Onderzoek je triggers: Merk je dat je “ja, maar…” vooral gebruikt bij bepaalde mensen of onderwerpen? Vraag je dan af: wat bedreigt dit? Waarom voel ik me niet veilig om dit gewoon te accepteren?
- Leer écht te luisteren: Veel mensen zeggen “ja, maar…” omdat ze al aan hun antwoord denken terwijl de ander nog praat. Actief luisteren – zonder meteen een tegenargument te formuleren – kan je communicatie transformeren.
Aan de andere kant: omgaan met een chronische “ja, maar…”-gebruiker
Misschien ben jij niet degene die dit doet, maar heb je iemand in je leven die dit patroon vertoont. Wat dan?
Relatietherapeuten raden aan om meta-communicatie toe te passen: praten over hoe jullie praten. Bijvoorbeeld: “Het valt me op dat wanneer ik een voorstel doe, je vaak ‘ja, maar…’ zegt. Dat geeft mij het gevoel dat mijn ideeën niet welkom zijn. Bedoel je dat zo, of zie ik iets verkeerd?”
Dit opent een gesprek over het patroon zelf, in plaats van steeds vast te lopen in de inhoud. Vaak zijn mensen zich simpelweg niet bewust van hun gewoonte. En bewustwording alleen kan al verandering teweegbrengen.
Je mag ook gewoon grenzen stellen
Soms blijft het patroon bestaan, ondanks gesprekken en pogingen. In die gevallen mag je beslissen hoeveel energie je erin wilt steken. Je hoeft niet elke discussie aan te gaan. Soms is de gezondste reactie: accepteren dat deze persoon nog niet klaar is voor open communicatie, en je eigen energie beschermen.
De grootste les: je communicatie is een spiegel van je innerlijk
Wat het “ja, maar…”-patroon zo fascinerend maakt, is dat het een microvoorbeeld is van iets veel groters. Het laat zien hoe onze innerlijke psychologie zich manifesteert in alledaags gedrag. We lopen allemaal rond met onverwerkte angsten, geleerde patronen en defensieve strategieën. En die komen naar buiten in onze woorden, onze houding en onze reacties.
Psychotherapeuten benadrukken dat zelfbewustzijn – het vermogen om je eigen patronen te herkennen en te begrijpen – de basis is voor persoonlijke groei én betere relaties. Wanneer je begrijpt waaróm je doet wat je doet, krijg je keuze. En keuze is de ultieme vorm van vrijheid.
Dus de volgende keer dat je “ja, maar…” hoort – van jezelf of van iemand anders – zie het als een uitnodiging. Een uitnodiging om dieper te kijken, vriendelijker te zijn, en misschien net dat beetje moediger om écht open te staan. Want uiteindelijk begint echte verbinding daar: bij het durven loslaten van de verdediging en het toelaten van een ander perspectief.
En wie weet ontdek je dat “ja, én…” véél meer ruimte creëert dan je ooit voor mogelijk had gehouden. Niet alleen in gesprekken, maar in je hele leven.
Inhoudsopgave
